Home Dojo's Info

BERLARE

BRUGGE

ERPE-MERE

LEVENDE VREDE

DE THEECEREMONIE - CHA NO YU

Het drinken van thee is voor het westen eerder een zaak van dorst lessen of gewoon vanuit een ingegeven beslissing. In Japan wordt thee niet altijd zomaar gedronken. Er bestaat zelfs een hele ceremonie rond, waarbij het aardewerk wordt rondgedraaid en doorgegeven. Voor mensen die er niet mee vertrouwd zijn lijkt het een enorm gedoe, waarbij men zich afvraagt of de thee niet koud is op het moment dat men eindelijk mag drinken? De theeceremonie of “cha no yu” (wat heet water betekent) is een belangrijk onderdeel van de traditionele Japanse cultuur. Ook dit facet van Japan kan ons een beeld geven van de geschiedenis en levensvisie in Japan. In de 16de eeuw ontwikkelde zich een stijl van verfijnde eenvoud. De thee, het aardewerk en de manier van handelen maakte van de theeceremonie een sociaal gebeuren. Hierdoor konden de Japanners evenveel waarde hechten aan ruw, eenvoudig en onregelmatig Japanse en Koreaanse aardewerk als aan volmaakte regelmatig Chinees porselein (karamono). In de theeceremonie zien we een ideaal van gecultiveerde armoede dat grote geestelijke rijkdom bevat.  Dit ideaal werd vervolmaakt door drie theemeesters: Moerata Jukô (1422-1502), Takeno Jôô (1502-1555) en Sen no Rikyu (1522-1591), alle drie afkomstig uit de koopliedengemeenschap en geheel doordrongen van het Zen-boeddhisme. Hier konden kooplieden en stedelingen omgaan met machtige militairen of edellieden in een gemeenschappelijke hartstocht voor eenvoud en voor kostbare gebruiksvoorwerpen. Er is een groot aantal theescholen in het moderne Japan. De meeste zeggen direct of indirect terug te gaan op Sen no Rikyu. Sommige richtten zich op de Shoguns, Daimo of hovelingen, andere op de lagere rituele vormen. De drie nu actieve scholen zijn de Oera Senke, Omote Senke en Moesjanokodji in Kyoto. Etiquette, esthetiek en eenvoud zijn belangrijke elementen die we ook terugvinden in Aikido. Het bekijken van een aantal traditionele Japanse waarden kan ons een heel andere kijk bezorgen op Aikido en de beoefening ervan.

Cha no yu, Chadô of Sadô (de weg van de thee)

 Thee was al lange tijd bekend in China maar pas in de 7e eeuw steeg het uit tot een hooggewaardeerd genotsartikel. De theebladeren werden gestoomd, fijngewreven en tot koeken geperst. Hiervan sneed men weer stukjes om thee te zetten. De stukjes werden dan gekookt en het aftreksel werd gedronken. Dit was de thee die de monniken in de 8e eeuw in Japan introduceerden. Later (vanaf de 13e eeuw in Japan) werd poederthee (matcha) gebruikt. Van speciale theeplanten worden de theeblaadjes verpulverd en deze poeder wordt overgoten met heet water en geklopt met een speciale bamboe theekwast (chasen). Dit levert een ietwat dikkige, groene bittere thee op. Zoals de monniken de eersten waren die in Japan thee drinken, zo waren het ook de (Zen)monniken die de thee gebruikten bij hun rituelen en waarbij ook het zetten en drinken van de thee volgens strikte rituelen verliepen. De boeddhistische monnik Jukô (1422-1502) was de eerste die een aantal regels voor de theeceremonie opstelde maar het was Sen no Rikyu (1522-1591) die de regels en de ceremonie tot een ware kunst verhief. Andere bekende theemeesters waren Murata Mokichi Shukô (1423-1502) en Takeno Jôô (1502-1555). Zij hebben bijgedragen aan de wijze waarop de theeceremonie nog vandaag wordt uitgevoerd, meestal in een speciaal theehuisje van de gastheer. Een dergelijk theehuisje ligt dan ver in een tuin, zodat de gast direct bij het betreden van de tuin, op weg naar het theehuisje, direct in een andere wereld terecht komt. Na het reinigen van de handen en het gezicht met water betreedt men samen met de andere genodigden het theehuisje. Door een lage opening zodat men gebukt (en zonder wapens) en meestal op de knieën het huisje moet binnengaan. Deze wijze van binnengaan bevorderde het gevoel van nederigheid. Eerst wordt er een eenvoudig maal bereid en pas daarna volgt de theeceremonie. Hierbij gebeurt alles volgens strikte rituelen en voorgeschreven handelingen. Het is een manier om een toestand van rust en kalmte te bereiken, 'wabi'.

 De gastheer/gastvrouw maakt de thee, wat op zich geen moeilijk proces is. Exact voorgeschreven en gracieus zijn de bewegingen die uitgevoerd moeten worden. Dit geeft het ritueel toch een speciaal gebeuren. In het Japans heet thee: 'cha'. Met spreekt echter van 'o-cha', wat 'eerbiedwaardige thee' betekent. Met 'ocha' wordt expliciet de Japanse groene thee bedoeld, de groene thee die we hier ook kennen. De buitenlandse thee wordt 'kocha' genoemd. Voor de theeceremonie gebruikt men fijne groene poederthee, die weer 'matcha' wordt genoemd. Voor de theeceremonie gebruikt men allerlei speciale gebruiksvoorwerpen.

 De “echte” ceremonie wordt met een beperkt aantal genodigden gedaan in een theehuis of een traditionele Japanse ruimte met matten (tatami) op de vloer. Met zit op de knieën (seiza) waarbij het ganse gebeuren in een sfeer van rust en sereniteit plaatsvindt. Voor de gesprekken worden enkel “gepaste” onderwerpen aangeraakt. Onderwerpen die de sereniteit aantasten worden vermeden. Meestal wordt gebruikt gemaakt van antieke en originele serviesstukken. Deze originele, oude serviesstukken zien er overigens niet perfect uit en die imperfectie maakt het net volmaakt. Het water wordt ter plekke (en tijdens de ceremonie) gekookt in een ketel (kama), op een oventje (furo). De watervoorraad wordt bewaard in een 'mizusashi'. Dit water wordt niet alleen gebruikt om de thee te zetten maar ook om de theekommen, “chawan”, schoon te spoelen. Met de 'chasaku', een lange dunne lepel van bamboe, wordt de groene poeder in een 'chawan' (de theekom) geschept. Vervolgens wordt met een grotere bamboelepel (hishaku) heet water uit de ketel in de theekom op de groene poeder gegoten. De “chasen” (een bamboekwast) wordt gebruikt om te roeren tot een schuimige groene substantie is ontstaan. De gastheer zet de bereide kom met thee voor de gast neer en maakt daarna een buiging (nog steeds, net als alle andere aanwezigen, op zijn knieën) De gast dient, eveneens na het maken van een buiging, de kom te pakken en op de palm van zijn linkerhand te plaatsen. Met de rechterhand wordt de kom met 3 kleine rotaties, met de klok mee, gedraaid en kan er, met gepaste eerbied, gedronken worden. Na het drinken wordt het deel van de kom waar men gedronken heeft met de rechterhand schoongeveegd en de kom wordt, na weer 3 kleine rotaties, nu tegen de klok in, op de grond neergezet.

 






De poederthee wordt in een lakdoos('natsume') bewaard.






 Met een lange dunne lepel, de 'chashaku' wordt de groene theepoeder uit de 'natsume' in een theekom geschept.

 






 

Met een speciale lepel, de 'hishaku' wordt heet water op het groene poeder gegoten en vervolgens gebruikt men de 'chasen' om te roeren.... ......tot een schuimige, groene, licht dikke thee is ontstaan.

 






 

Bij ontvangst van de thee buigt men, zet de kom op de palm van de linkerhand en draait met 3 korte bewegingen de kom met de klok mee.

 Verwijzingen in bovenstaande tekst:

 (1) psychisme – de invloed van de psyche (de menselijke geest).

 Het lijden

De “gidsen” die we in de institutionele psychotherapie gebruiken om over lijden te spreken zijn Szondi, Freud en Lacan. Ook Von Weizsäcker, een arts, die als internist in zijn praktijk somatische klachten behandelde en deze een plaats gaf in de levensgeschiedenis van de patiënt. Hij probeerde steeds om een handel, een omgang, een uitwisseling van woorden te hebben waarin aandacht werd gegeven aan bepaalde conflictmomenten in iemands bestaan. Deze koppeling tussen de conflicten en de geschiedenis van een persoon laat ons toe om die geheime zone van het leven te ontdekken die wij het lijden noemen.

Het is het enige in het bestaan dat diep persoonlijk is, het treft een mens in zijn diepste, het overkomt me, valt op mijn hoofd. Het kan je elke dag overkomen, hoe meer men zich organiseert, zich wapent, hoe meer kans dat het gebeurt. Psychiatrische patiënten maken er hun beroep van: ze zijn de vertegenwoordiger van het pathische, van het lijden. Het lijden articuleert zich, schrijft zich in, in de wijze waarop iemand zijn omgang met anderen verwoordt.

Zo ontwikkelt Von Weizsäcker zijn pentagram van het pathische:

vijf werkwoorden die indicatief zijn voor het lijden:

WILLEN  KUNNEN  DURVEN  MOETEN  ZULLEN

De wijze waarop we omgang hebben met anderen, waarop we commercie hebben met lijden uit zich in de wijze waarop we (vooral) deze werkwoorden gebruiken.

Bijv.: of we werkwoorden gebruiken of alleen substantieven.

Bijv.: tegen iemand die depressief is zeggen: "u kunt wel maar u wilt niet"; terwijl het omgekeerde ("ik wil wel maar ik kan niet") dichter bij de kern van het depressieve komt.

Bijv.: de regel van de analytische kuur bij Freud: "zeg alles wat door uw hoofd komt" vertalen als "zich durven te permitteren datgene wat u in u draagt te uiten".

Het volledige pathische leven dat persoonlijk is, dat u ondergaat, kunt u zo samenbrengen in het gebruik van die vijf werkwoorden. Het leert ons van niet zozeer bezig te zijn met wat iemand zegt dan wel met hoe (wanneer, toon, ritme, snelheid) iets gezegd wordt.In dit hoe openbaart zich iets dat betrekking heeft op de fundamentele wijze van menselijk bestaan: uw stemming, humeur.

Hoe ben je gestemd? Hoe zit u in uw lichaam? Dat kunt u niet wegstoppen, uw gezicht bedriegt niet.(Cfr. Kretzner: als u niet in het eerste contact een diagnostiek kunt maken doe dan maar iets anders.)

Lijden is de beproeving van het menselijke leven dat zich kristalliseert in de overgang, de passage.

 Deze kritische momenten laten de mens toe persoonlijk te worden.

De overgangen in iemands leven: geboorte, school, beroep, huwelijk, dood... maar ook de overgangen in de seizoenen, in de menstruatiecyclus bij de vrouw, zijn kritische momenten waarin elke mens zijn weg moet zoeken om deze beproeving te doorleven. Het zijn de momenten waarin een passage mogelijk is van gezond naar ziek zijn.

Bij Freud is er ook geen breuk tussen gezond en ziek zijn maar op kritische momenten kan er een passage zijn van het ene naar het andere. Als lijden de beproeving is van het menselijke leven dan is ziek zijn stilstaan in de beproeving. Niet meer kunnen bewegen, moe worden, immobiel worden aan de beproeving van het leven. Freud vergelijkt het menselijk psychisme met een kristal. Als alles min of meer normaal verloopt, is er niet veel te merken, te onderscheiden. Het is pas als een kristal breekt dat we de breuklijnen, de zwakke plaatsen, de structuur ontdekken. Zo ook bij de mens: het is de zieke mens die ons toont hoe we allemaal zijn. De pathologie leert ons over de structuur van ons eigen psychisme. Daar ligt open wat wij altijd toe houden.

Freud maakt dan ook altijd vergelijkingen tussen alledaagse menselijke fenomenen en pathologie.

Bijv.: verliefd zijn: ik ben overweldigd door de andere, ik ben vol van de andere, ik weet niet meer waar ik sta... waar men door moet om via beproeving, "afzien", de overgang naar liefde te maken.Dit vergelijkt hij met megalomanie: iemand die permanent vol is,bewegingsloos in zijn grootheidswaan.

Szondi, een Hongaarse joodse psychiater, ontwikkelde een model om deze universele psychische structuur uit te tekenen.

Vanuit zijn opleiding als arts en psychoanalyst en zijn studies over endocrinologie en genetisch onderzoek ontwikkelde hij een hypothese over het verband, de samenhang, tussen essentiële keuzes die eenieder in zijn leven maakt. Volgens hem moest er een verband zijn tussen de "kritieke" keuzes die je in leven moet maken zoals de keuze van je partner, van je beroep, van je vriendschap, van je pathologie, van je dood. Deze keuzes zijn uitingen van mijn "lot", een aantal krachten waarover we geen meester zijn, waarvan we geen "weet" hebben.

Hij doet aan de hand van deze hypothese een aantal experimenten:

  • in zijn eigen familie: er zijn 13 kinderen, hij ontdekt er patronen die zich herhalen. Manifesteert zich in mijn keuze niet iets van een voorbestemdheid, een onbewust lot (schicksal)?
  • uit een analyse van de personages die Dostojewski in zijn boeken uitwerkt ontdekt hij dat dit allemaal beroepen zijn die te maken hebben met de wet (het fenomeen dat uitwisseling in de samenleving mogelijk maakt). Het zijn of rechters, politiemannen, advocaten of dieven, moordenaars of religieuzen als dragers van het dogma.
  • hij ziet in zijn privé-praktijk als psycho-analyst patiënten met erg gelijkende symptomen en ontdekt een familiale band.

Hij gaat dan van zijn patiënten "familiestambomen" opstellen in zijn zoeken naar lijnen, structuren; om te zien of zijn hypothese kan geverifieerd worden.

In zijn zoektocht verzamelt hij stukken theorie (psychoanalyse van Freud, klassieke psychiatrie en neurologie).

Szondi droomt een schema:

    S    |    P    |   Sch   |    C

   h  s      e  hy     k  p      d  m

Het is Szondi's levenswerk geweest dit schema verder te ontwikkelen. Het ontwikkelt zich van een schema voor (genetisch bepaalde) "lotsanalyse" tot een structuur waarin alle menselijke breuklijnen, pathologie in onderlinge samenhang een plaats krijgt.

1. C: de zone van het contact, de mens als pathisch wezen, kan ik de beproeving doorstaan?, met als twee uitersten:

d: het depressieve: bewegingsloos.

m: het manische: teveel beweging.

2. Sch: de zone van de schizofrenie, de persoonlijkheid, wie ben ik voor de andere?, met als uitersten:

k: de catatonie: het afsluiten van de wereld.

p: de paranoia: het openliggen voor de andere.

 3. P: de zone van het paroxysmale, hoe kan ik leven met een verbod, in een wereld met wetten/regels om met elkaar om te gaan?:

 e: epilepsie: niet alleen de neurologische stoornis, ook dynamisch een fundamenteel pathisch moment: het verbod om te doden, ik weet dat ik niet mag moorden, ik schakel mezelf uit.

 h: hysterie: het verbod om de incest, ik weet dat ik mijn moeder/vader niet mag begeren, dat ik moet leren leven met een fundamenteel tekort maar ik zal het blijven aanklagen.

 4. S: de zone van de seksualiteit, hoe kan ik mijn lichaam, de andere, de wereld investeren?:

h: hermafrodiet: vanuit het ongedifferentieerde, alles is mogelijk, komen tot een specifieke investering in jezelf, je eigen lichaam.

s: sadisme: het naar buiten gaan, investering in de andere, genoeg actief zijn om er iets aan te doen.

 Szondi gaat dan op zoek naar een instrument om iemand te gaan situeren in dit schema. Hij ontwikkelt zijn test waarbij iemand gevraagd wordt om door een keuze sympathiek/antipathiek van foto's van psychiatrische patiënten (met een duidelijk gekende pathologie) zich te situeren.

 

Volgende Vorige